Wij geloven dat de mens goed en volkomen werd geschapen; want God zei: “Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken”. Gen 1:26. Maar de mens is door vrijwillige (moedwillige) overtreding gevallen en werd daardoor onderworpen niet alleen aan de lichamelijke dood, maar ook aan de geestelijke dood, de eeuwige scheiding van God.
Gen. 1:27 “God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen”.
Gen. 2:16 “Hij hield hem (Adam) het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven’.
Gen. 3:6 “De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan”.
Rom. 5:12-14 “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd. Er was al zonde in de wereld voordat de wet er was; alleen, zonder wet wordt er van de zonde geen rekening bijgehouden. Toch heerste de dood in de tijd van Adam tot Mozes over alle mensen, ook al begingen ze met hun zonden niet dezelfde overtreding als Adam. Nu is Adam de voorafbeelding van hem die komen zou”.
De Bijbel zegt dat de mens bijna ideaal geschapen is: naar het beeld en de gelijkenis van God. Als je Psalm 8:2-9 leest, kun je er – met de psalmist - niet over uit hoe geweldig God met Zijn schepping is omgegaan. God zei van de gehele schepping: “God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was”. (Gen. 1:31). We kunnen concluderen dat de mens op een ideale manier in een ideale omgeving en onder ideale omstandigheden is begonnen. De mens kreeg een zinvolle taak:
Heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt. (Gen. 1:26) “God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken”. Gen. 2:15
De mens kon vrij eten van de bomen in de hof: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten...” Gen 2:16b. Maar hij moest wel van het begin af aan bepaalde regels voldoen. Hij moest God gehoorzamen: “maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven’.
Hoe lang Adam en Eva in deze ideale omstandigheden hebben verkeerd, weten we niet. Adam was 130 jaar oud toen hij Seth verwekte (Gen. 5:3), maar voor die tijd waren Kaïn en Abel al geboren en volwassen geworden. Het zou best wel gekund hebben, dat Adam en Eva bijna 100 jaar in de hof van Eden hebben geleefd, letterlijk in een paradijselijke situatie.
Wanneer ging het mis?
Toen de duivel er zich mee ging bemoeien. Hij kon het niet hebben dat de mensen vrijwillig God dienden en gehoorzaamden en heel tevreden waren met het leven dat ze ontvangen hadden. De duivel koos de slang uit om zich in te vestigen en zo met de mens te communiceren.
Uit het boek Openbaring weten we dat het bij de slang om de duivel gaat:
“De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt”. Openb. 12:9
“Hij greep de draak, de slang van weleer, die ook duivel of Satan wordt genoemd...” Openb. 20:2
In de Bijbel zijn een paar summiere gegevens te vinden over de duivel voordat hij ten val kwam: Jes. 14:12-15 begint als een spotlied op de koning van Babel, maar het lijkt op een gegeven moment over iemand anders te gaan.
“O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken. Ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put.”
Het tweede gedeelte is Ezechiël 28:11-19, dat een klaaglied over de koning van Tyrus is, maar eigenlijk gaat over iemand die veel meer is geweest dan de koning van Tyrus. Hier vallen de volgende gedeelten op:
“...Je leefde in Eden, in de tuin van God... Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, ...”
Uit deze verzen krijg je de indruk dat de satan in het begin een heel belangrijke engelenfiguur is geweest, misschien zelfs met de speciale taak om voor deze wereld te zorgen. Hij is gevallen op het punt dat hij zich aan de Allerhoogste wilde gelijkstellen. Waarschijnlijk is hij toen ook zijn opdracht kwijtgeraakt om voor de aarde te zorgen. Hij heeft geprobeerd het zo ver te brengen dat ook de mens de opdracht van God om voor de aarde te zorgen kwijt zou raken. Hij deed dat door de mens met dezelfde begeerte te vervullen als waardoor hij zelf gevallen was: “Jullie zullen helemaal niet sterven,” zei de slang. “Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad”.
De mens is op een punt gekomen dat hij niet meer onvoorwaardelijk God gehoorzaamde. Hij heeft toegelaten dat de gehoorzaamheid aan God ter discussie kwam te staan. Wat kunnen wij hiervan leren?
- Als we via een medium (in dit geval een dier, de slang) een gesprek gaan voeren, komen we op zeer gevaarlijk terrein, want dit is spiritisme.
- Als we toe gaan geven aan twijfel aan Gods Woord komen we evenzeer op gevaarlijk terrein. Satan brengt de zaak in het negatieve. Hij speelt een arglistig spel met bijbelteksten. Dat deed hij ook tijdens de verzoeking van Jezus in de woestijn. (Matt. 4:1-11; Lukas 4:1-13)
- Satan bedient zich van leugens en van halve waarheden. Hij wordt de vader der leugen genoemd (Joh. 8:44). Eva had onmiddellijk het gesprek moeten beëindigen.
- Eva doet dat niet en laat zich in verleiding brengen, (Gen. 3:6-7) “De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten (was nog geen zonde) en at ervan (dat was de ongehoorzaamheid). Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan”.
Mensen geven gemakkelijk de schuld aan anderen voor wat ze zelf gedaan hebben. Adam gaf Eva de schuld (eigenlijk zijdelings ook God, want Die had hem Eva gegeven). Eva gaf de slang de schuld. “Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze naakt waren”. Eerst schaamden ze zich niet voor elkaar, maar nu regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten ze lendenschorten. Het gevolg van de ongehoorzaamheid was de lichamelijke en geestelijke dood. Vóór de zondeval had de mens geen zondige natuur. Daardoor was zijn geest in staat helder en duidelijk met God te communiceren. Adam had een volmaakte relatie met God, zijn Schepper. Zijn lichaam en ziel waren ondergeschikt aan zijn geest en deze stond onder de leiding van Gods Geest. (Discipelen van Jezus les 5 – de volmaakte mens)
Toch is de lichamelijke dood niet het ergste. Voor een kind van God bestaat er een uitzicht op een eeuwig leven bij de Heer:
Joh. 11:25-26: “Maar Jezus zei: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?”
Bronvermelding
‘Geloof om op te bouwen’ door J.W. Embregts
Bijbel (NBV)