Na de zondeval is de relatie van de mens met God verstoord.
Rom. 3:23-26: “Iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God; en iedereen wordt uit genade, die niets kost, door God als een rechtvaardige aangenomen omdat hij ons door Christus Jezus heeft verlost. Hij is door God aangewezen om door zijn dood het middel tot verzoening te zijn voor wie gelooft”.
Zonder verlossing/verzoening is er een uitzichtloos vonnis voor alle mensen van de hele wereld. De weg naar de hemel is voor iedereen afgesloten omdat de wereld zo volkomen in de zonde ligt. Zonder bijzondere ingreep is redding uitgesloten. Gelukkig is die ingreep er wel - van Gods kant. Gods genade is zo oneindig groot dat Hijzelf een middel aanbiedt om te ontkomen aan het verderf. Er is verzoening nodig om de omgang met God mogelijk te maken. De enige mogelijkheid voor de mens om tot volkomen verlossing te komen ligt in het vergoten bloed van Jezus Christus, de Zoon van God.
2 Cor. 5:18-20: “Dit alles is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd. Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen”.
Het woord zoenmiddel (hilasterion) dat in Rom. 3:25 is gebruikt, is in de grondtekst precies hetzelfde woord als voor het verzoendeksel dat onder het Oude Verbond zo’n grote rol speelde in de eredienst van het joodse volk. Het gouden verzoendeksel met aan één stuk daarop de twee engelenfiguren van zuiver goud, lag op de ark van het verbond die in het Heilige der Heiligen in de Tabernakel en in de tempel in Jeruzalem. In Lev. 16 lezen we hoe de hogepriester één keer per jaar op de Grote Verzoendag het heiligdom binnenging en door het voorhangsel in het Heilige der Heiligen kwam. Hij mocht daar niet binnenkomen zonder bloed van een offerdier, want: Hebr. 9:22: “...als er geen bloed wordt uitgegoten, vindt er geen vergeving plaats”. Dit bloed stelde in feite het bloed voor van het ware Offerlam, Jezus Christus.
De hogepriester kwam in het Heilige der Heiligen voor het aangezicht van God en sprenkelde van dat bloed op het gouden verzoendeksel dat de twee stenen tafelen met de tien geboden bedekte. Dat was de “Wet” die alle mensen aanklaagde en met de dood bedreigde die tegen haar zondigden. Op grond van het vergoten bloed was er verzoening mogelijk over de zonden. Volmaakt was dat niet, want het moest telkens opnieuw gebeuren.
1 Joh. 1:7 “... en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde”.
Jezus bracht het volmaakte offer
Heb. 9:24-26: “Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt, in de voorafbeelding van het hemelse heiligdom, maar in de hemel zelf, waar hij nu bij God voor ons pleit. Hij brengt daar niet telkens opnieuw het offer van zijn leven; hij is dus niet te vergelijken met de hogepriester die elk jaar het heiligdom binnengaat, en dat met bloed dat niet het zijne is, want dan zou hij sinds de grondvesting van de wereld telkens opnieuw hebben moeten lijden. Nee, hij heeft zich bij de voltooiing van de tijden eenmaal geopenbaard, om met zijn offer de zonde teniet te doen”.
Col. 2:13-14: “U was dood door uw zonden en door uw onbesneden staat, maar God heeft u samen met Christus levend gemaakt toen hij ons al onze zonden kwijtschold. Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen”.
De bijbel geeft ons geen andere weg om verzoend te worden met God
Joh. 14:6 “Jezus zei: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij”.
Voorwaarden voor de redding
De redding wordt ontvangen door berouwvolle bekering tot God, tot vergeving van zonden en persoonlijk geloof in de Heer Jezus Christus. Door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest, gerechtvaardigd door genade, door het geloof, wordt de mens erfgenaam van God, overeenkomstig de hoop van het eeuwige leven.
De weg naar God begint bij een heel bewust en zorgvuldig genomen besluit om zich te bekeren van zijn zondige wegen en voortaan volgens de wil van God te gaan leven. ‘Bekeren’ wil eigenlijk zeggen: ‘een verandering van gedachte, berouw, inkeer’. Je kunt het ook beschouwen als ‘ommekeer’: het zich afwenden van de wereldse weg en het zich keren naar Gods weg. Johannes de Doper wees al op de noodzaak van bekering. Hij predikte de doop der bekering tot vergeving van zonden.
Luc. 3:3: “Daar ging Johannes in de omgeving van de Jordaan verkondigen dat de mensen zich moesten laten dopen en tot inkeer moesten komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen,...”.
Matt. 3:2: “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij!”
De apostelen predikten dezelfde boodschap na de uitstorting van de heilige Geest op de eerste Pinksterdag:. Hand. 2:38: “Petrus antwoordde: “Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden,...”.
Alleen het voornemen om te breken met de zonde is op zichzelf genomen niet voldoende om het eeuwige leven te beërven. Er is een gezegde: het pad naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Het besluit moet worden genomen op grond van een persoonlijk geloof in de Heer Jezus Christus:
Joh. 1:12: “Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden”. (NBG: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden”.)
Het aannemen van Jezus is een innerlijke aangelegenheid, al kan het publiek gebeuren. De uitdrukking: ‘je hart aan de Heer geven’ is een bijbelse uitdrukking:
Spr. 23:26b: “Mijn zoon, geef mij uw hart”. (NBG) – vertrouwen (NBV)
Matt. 22:37: “Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand”.
Het gevolg van het geven van je hart aan de Heer of het aannemen van Jezus is: wedergeboorte – de macht krijgen een kind van God te worden. Er wordt nieuw leven geboren – een nieuwe schepping – die tot leven komt en gevoed moet worden.
Joh. 3:3: “Jezus zei: “Waarachtig, ik verzeker u: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien”. De wedergeboorte is een werk van de heilige Geest.
Joh. 3:5: Jezus antwoordde: “Waarachtig, ik verzeker u: niemand kan het koninkrijk van God binnengaan, tenzij hij geboren wordt uit water en geest”.
Juist omdat men er zelf helemaal niets aan kan doen dan erin geloven is het pure genade, dat de Heer ons opnieuw geboren laat worden. Het is daarom heel belangrijk goed voor dat jonge geestelijke leven te zorgen zodat het kan groeien tot een volwassen Christen en we het eeuwige leven mogen erven.
De bewijzen van de redding
- Het innerlijke bewijs van de redding is het directe getuigenis van de Geest.
- Het uiterlijke bewijs, zichtbaar voor de mensen, is een leven van gerechtigheid en ware heiligheid.
- Rom. 8:16: “De Geest zelf verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn”.
- Ef. 4:22-24: “Door Jezus wordt duidelijk dat u uw vroegere levenswandel moet opgeven en de oude mens, die te gronde gaat aan bedrieglijke begeerten, moet afleggen, dat uw geest en uw denken voortdurend vernieuwd moeten worden en dat u de nieuwe mens moet aantrekken., die naar Gods wil geschapen is in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid”.
Nog enkele Bijbelteksten
Joh. 19:30: “Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: “Het is volbracht”. Hij boog zijn hoofd en gaf de geest”.
Col. 1:13, 14: “Hij heeft ons gered uit de macht van de duisternis en ons overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, die ons de verlossing heeft gebracht, de vergeving van onze zonden”.
Joh. 3:36: “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven, wie de Zoon niet wil gehoorzamen zal dat leven niet kennen: integendeel, Gods toorn blijft om hem rusten”.
Jes. 53:5: “Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing”.
Ef. 2:14-22: “Want Hij is onze vrede...”
Bronvermelding
‘Geloof om op te bouwen’ door J.W. Embregts
Bijbel (NBV)